Datum: 5 maart
Opmerkelijk: 's nachts is het 3 graden
Ik ben een peuter. Ik kan al aardig lopen. Ze noemen mij hier bambino en ik doe het liefste dingen die ik nog net niet kan. Mam en pap kunnen alles al. Volgens mij ook al heel lang. Zij kijken liever naar dingen, denk ik. Doen gaat mij beter af. Hollen, ravotten, klauteren, eten smeren, dingen in dingen stoppen en er weer uit halen, en er weer in stoppen.
Deze stad waar ik nu ben, moet je gezien hebben, zegt mama, voordat je gaat sterven. Ik vind naar dingen kijken saai. En als ik niks kan doen, word ik boos of moe. Boos ben ik nu niet, dus ik heb lekker liggen slapen in mijn zak en bijna niks gezien. Wel wat hoor.
De aardige mensen in deze stad wonen in het water. Overal zijn mensen in slootjes op bruggetjes en in bootjes. Net als mama kijken alle mensen hier met een zwart aparraat voor hun hoofd. Ik vraag me af of je dan beter kunt zien. Als ik kijk, kijk ik het liefst naar mensen. Mensen zijn het allerleukste.
We zijn ook in een heel groot huis geweest. Daar woonde rijke, dode papa's. Alle kamers waren behangen met glitterende spulletjes waar ik niet aan mocht komen. Stom. Ik mocht alleen maar kijken, en dat kan ik nog niet zo goed. Gillen is ook soort van doen. Dus ik heb veel gegild. Leuk dat die kamers dan teruggilde. Papa kon minder kijken dan mama. Dus papa en ik zijn eerder naar buiten gegaan. Thuis wonen mama, papa en ik ook in het water. Daarom denk ik dat we nu naar deze stad zijn gegaan. Dan voelen zij zich ook een beetje thuis, na al die bergen.
xJJ
Geen opmerkingen:
Een reactie posten